<< terug

Zorg voor monumenten

Zorg voor monumenten?

Monumentenzorg is nog niet zo lang een vanzelfsprekende zaak. Pas met het ontstaan van de belangstelling voor de nationale geschiedenis in het begin van de negentiende eeuw is in bepaalde kringen het besef ontstaan dat bepaalde gebouwen of plekken een intrinsieke waarde bezitten als cultuurdragers. Heel geleidelijk is dat besef ook in Nederland doorgedrongen.

Aanvankelijk speelde de overheid daarbij nauwelijks een rol. De zorg voor monumenten werd niet als overheidstaak gezien, zei Thorbecke in 1853. Nadat de overheid zijn standpunt had herzien, werd in de jaren het College van Rijksadviseurs opgericht. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg werd opgericht na afloop van de Tweede Wereldoorlog. Deze organisatie richt zich vooral op het beheer van de monumenten die op grond van de Monumentenwet zijn aangewezen als beschermde monumenten.

Wat is een monument?

Deze vraag wordt – uiteraard – niet door iedereen op dezelfde manier beantwoord.
Volgens Van Dale is een monument op de eerste plaats een gedenkteken. Een bouwsel dat herinnert aan een bepaalde gebeurtenis. De tweede betekenis van het woord is: ‘overblijfsel van een vroegere cultuur, kunst nijverheid of wetenschap met name uit oogpunt van conservering’. Het is die tweede betekenis die de leden van het Cuypersgenootschap interesseert.

Honderden organisaties en verenigingen zetten zich in Nederland in voor het behoud van verschillende vormen van cultuurgoed. Iedere organisatie heeft daarbij een bepaald werkgebied. Dat kunnen molens zijn in Zeeland, kerken in Gelderland of een stoomgemaal op een bepaalde plaats. Dankzij de inspanningen van deze organisaties worden jaarlijks objecten toegevoegd aan de monumentenlijsten.

Helaas kunnen niet alle gebouwen of plekken worden behouden. Soms zijn de inspanningen vergeefs. Dan blijkt onvoldoende draagvlak te bestaan voor het behoud van objecten. Niet alles dat de moeite van het behouden waard is, blijkt een monument.

Wie was de eerste monumentenzorger in Nederland?

Wellicht komt die eer toe aan J.A. Alberdingk Thijm. Sinds 1847 klaagt Thijm de ‘domme afbraakwoede van zijn tijd’ in verschillende tijdschriften aan. Nadat hij in 1855 zijn eigen tijdschrift, de Dietsche Warande, had opgericht kon hij uitgebreider ingaan op voorbeelden van het ‘wandalisme’ dat hij overal in Europa bespeurde.

De Nederlandse overheid stelde zich op het standpunt dat de zaak van de Kunsten en Wetenschappen werd ‘bevorderd van regeringswege’. In een artikel in de eerste jaargang van de Dietsche Warande, stelde Thijm zich tot taak aan de hand van een bespreking van de achtste afdeling van de begroting van het ministerie van K&W voor het jaar 1856 na te gaan of dit beginsel met redelijkheid en rechtvaardigheid werd toegepast.
Hij verdeelde de begroting daartoe in twee delen: die artikelen die fondsen beschikbaar stelden voor de bevordering van de stoffelijke wereld en van de hoogere belangen.
Op grond van artikel 101 werd een bedrag van ƒ1.000,- beschikbaar gesteld voor het ‘onderhoud van historische gedenktekens’ bij uitstek een zaak van stoffelijk belang,.
Nadat hij alle posten op de begroting op die manier had doorgeworsteld, kwam hij tot de conclusie dat de stoffelijke belangen er beter afkwamen dan de belangen van het hogere.
Maar de proportie ergerde hem in hoge mate. ‘Is het niet te uiterste belachelijk, op een staatsbegroting uit te trekken: ƒ 1.000,- tot onderhoud van historische gedenktekens terwijl men voor de gedroogde vleermuizen en lrokodillen – schepsels en wanschepsels op sterk water, bijna ƒ 43.000,- zegge bijna bijna drie-en –veertigduizend gulden ( veel geld in die tijd) en tot onderhoud van Neerlands Historische Gedenktekenen één duizend. In de schatting der Nederlanders, staat de scheppingsorde der padden en kikvorschen tot de scheppingsorde der kathedralen en burchten als 4212/20 : 1.






Behoudsacties 1984-2006
Cuypersjaar
Jaarrekeningen
Jaarverslagen
Zorg voor monumenten